1. Voor inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27 die op grond van artikel 2:28, tweede lid, waren vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, omdat zij over een Alcoholwetvergunning beschikten, en die als gevolg van de wijziging van artikel 2:28, tweede lid, niet langer onder deze vrijstelling vallen, gaat de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, gelden negen maanden na inwerkingtreding van de 'Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging'. Deze overgangstermijn geldt alleen voor inrichtingen die op het moment van de inwerkingtreding van de 'Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging' reeds werden geëxploiteerd.

  2. Voor afhaal- en/of bezorgrestaurants als bedoeld in artikel 2:27, aanhef en onder 1 sub 2°, gaat de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, gelden twaalf maanden na inwerkingtreding van de 'Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging', waardoor zij onder het begrip 'inrichting' zijn komen te vallen. Deze overgangstermijn geldt alleen voor inrichtingen die op het moment van de inwerkingtreding van de 'Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging' reeds werden geëxploiteerd.

  3. In afwijking van artikel 2:28 D, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een vergunning niet geweigerd wegens strijd met het omgevingsplan, indien de inrichting op het moment van de inwerkingtreding van de 'Algemene plaatselijke verordening Dordrecht, 26e wijziging' reeds werd geëxploiteerd en de aard of omvang van de exploitatie sindsdien niet is gewijzigd.

  4. Dit artikel vervalt van rechtswege op 1 januari 2028.